U bent hier

Degradatie van Egyptisch faience – wat maakt dit materiaal zo kwetsbaar?

Corinna de Regt en Luc Megens bestuderen de faience shabti in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

Onlangs verscheen in het nieuws dat archeologen ten zuiden van Cairo een omvangrijke Oudegyptische necropolis hebben ontdekt, met graven uit de Late periode (712-332 v. Chr) en het Ptolemeïsche rijk (332-30 v.Chr.). In de tombes werden duizenden ‘shabti’ aangetroffen. Zulke beeldjes waren bedoeld als plaatsvervanger van de overledene, wanneer die gevraagd zou worden om werkzaamheden te verrichten in het hiernamaals. Veel shabti zijn gemaakt van Egyptisch faience: een materiaal dat vanwege specifieke productiemethoden bijzonder gevoelig kan zijn voor degradatie en zelfs volledig uit elkaar kan vallen. Afgelopen jaar heb ik samen met Corinna de Regt, student conservering en restauratie hier onderzoek naar gedaan.

Door Luc Megens

Shabti zijn in het Oude Egypte in grote hoeveelheden geproduceerd. Per overledene konden tot wel 401 shabti in het graf worden meegegeven (365 werkers voor elke dag van het jaar en 36 opzichters), waardoor de beeldjes ook regelmatig in grote hoeveelheden worden aangetroffen en oudheidkundige musea over heel de wereld ze in hun collectie hebben. Zo ook het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden, waar een indrukwekkende verzameling faience shabti is ondergebracht. Hoewel het materiaal wat uiterlijk betreft iets weg heeft van geglazuurd keramiek, bevat Egyptisch faience geen klei maar is het gemaakt van voornamelijk kwartszand (92-99%) en kleine hoeveelheden natron of kalium, kalk en metaaloxiden.

Shabti (Rijksmuseumvan Oudheden)
Shabti met degradatieverschijnselen
(collectie Rijksmuseum van Oudheden)

Shabti kunnen bijzonder gevoelig zijn voor degradatie en ook een aantal shabti uit het Rijksmuseum van Oudheden hebben daaronder te lijden gehad. De glazuurlaag van de beeldjes is beschadigd en sommige zijn zelfs gebarsten, of uit elkaar gebrokkeld. Voor haar masterscriptie heeft Corinna in eerste instantie onderzocht of zoutproblemen een rol speelden, maar er leken geen ongebruikelijke concentraties zouten aanwezig te zijn. Daarom zijn we gaan kijken of er een relatie tussen productietechnieken van de shabti en de mate van degradatie zou kunnen zijn.

Analyse met SEM-EDX

Een belangrijk onderdeel van het onderzoek, was het bepalen van de glazuurmethode van de shabti. Die kan op drie verschillende manieren tot stand zijn gekomen. De eerste methode wordt efflorescentie genoemd en houdt in dat alle bestanddelen onmiddellijk met elkaar vermengd worden tot een kneedbare pasta. Tijdens het drogen van de inmiddels in model gebrachte pasta, migreren alkalische bestanddelen naar het oppervlak. Tijdens het bakken, versmelt de op deze manier gevormde laag met het kernmateriaal en ontstaat een glazuur. Bij de cementatiemethode wordt de pasta van voornamelijk zand, begraven in een aardenwerken pot met glazuurpoeder. De applicatiemethode ten slotte, houdt in dat de eveneens voornamelijk uit silica bestaande kern wordt bedekt met een laagje glazuur, die als een pasta met bijvoorbeeld een kwast wordt aangebracht.

SEM-afbeelding
Op deze SEM-afbeelding is grof kernmateriaal
zichtbaar en een duidelijk waarneembare
grens met de glazuurlaag.

De glazuurmethoden lijken een grote invloed te hebben gehad op de samenstelling en de kwetsbaarheid van het materiaal. Omdat de drie methoden niet gemakkelijk met microscopie te onderscheiden zijn en alleen de samenstelling van het kernmateriaal uitsluitsel kan geven, heb ik een aantal monsters geanalyseerd met behulp van een elektronenmicroscoop (SEM-EDX). Hiermee kan de structuur van het glazuur en de kern in beeld worden gebracht en tegelijkertijd de chemische samenstelling bepaald worden.

Welke glazuurmethode?

De monsters bevatten zowel kernmateriaal als glazuur. Hoe kon ik nu vaststellen welke van de drie glazuurmethoden waren toegepast? Aanwijzingen vormden de dikte van de glazuurlaag, de scherpte van de grens tussen kern en glazuur en verschillen in koperoxide-concentraties. De meest beschadigde shabti vertoonden breuken en afbrokkeling van het kernmateriaal. Ze zijn vermoedelijk via externe technieken (cementatie of applicatie) geglazuurd. Omdat de kern uit bijna pure silica bestaat die niet door glasvorming aan elkaar gesmolten is, wordt het materiaal slechts door de glazuurlaag bij elkaar gehouden. Bij beschadiging van de shabti kan dit al snel leiden tot het uit elkaar brokkelen van het hele voorwerp.

Ondanks de vele shabti van Egyptisch faience in collecties wereldwijd, is er maar weinig aandacht besteed aan de kwetsbaarheid van het materiaal en hoe dit het beste geconserveerd kan worden. Veel vragen op dit gebied zijn nog onbeantwoord. We hopen dan ook dat dit onderzoek een vervolg zal krijgen.

Dr. Luc Megens is specialist Conservering & Restauratie bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Reacties